Janáček
Trio
|
In 1785 vertrok Josef Rejcha uit Praag naar Bonn waar hij was aangesteld als directeur van het orkest van de Keurvorst van Keulen. De overlevering heeft de Engelse historicus Charles Burney, die in de jaren ’70 van de achttiende eeuw heel Europa rondreisde om er het muziekleven te bestuderen, de woorden in de mond gelegd dat de Tsjechische landen het conservatorium van Europa waren. En inderdaad: Tsjechische musici vervulden niet alleen een leidende rol aan de keizerlijke hoven van Wenen en Praag. Aan het hof van Mannheim kregen Boheemse musici de leiding over een orkest dat aan de basis ligt van het moderne orkest. En de muziek die zij ervoor componeerden leidde rechtstreeks tot het werk van de grote klassieken Haydn en Mozart. Het was dan ook helemaal niet vreemd dat ook de keurvorst van Keulen een beroep deed op een Praagse musicus. Zoals veel componisten uit die tijd, die voor de eigen praktijk en voor de musicerende adel schreven, heeft ook Rejcha veel werken voor kleine bezetting nagelaten, waaronder een aantal duetten voor viool en cello. Omdat die werken vaak niet werden uitgegeven of het manuscript ervan pas veel later werd teruggevonden, zijn ze niet altijd meer precies te dateren.
In het orkest waarvan Rejcha directeur werd, speelde een vijftienjarige altviolist:
Ludwig van Beethoven. Diens grootvader Lodewijk was in 1733 vanuit Mechelen naar Bonn gekomen om in het keurvorstelijke orkest te spelen. In 1796, één jaar na de dood van Rejcha, zou Ludwig zich definitief in Wenen vestigen, aanvankelijk om er les te nemen bij Haydn. In 1794 had hij er zijn eerste echt belangrijke werk gecomponeerd: de drie
Pianotrio’s opus 1. De drie Vioolsonates opus 12 stammen uit 1796. Hoewel met name de eerste sonate in D nog aansluit bij de wereld van Haydn, is zij toch onmiskenbaar Beethoven. De twee
Cellosonates opus 102 dateren uit 1815. Ze verschenen in 1817, het jaar waarin Beethoven de pianobouwer Streicher vroeg een zo luid mogelijk instrument voor hem te bouwen, en één jaar voordat zijn doofheid hem noopte “Konversationshefte” te gaan gebruiken. Het is vanaf deze tijd dat Beethovens kamermuziek (de late strijkkwartetten) steeds meer met een innerlijk oor gecomponeerd lijkt. Deze tendens is duidelijk te horen wanneer men de
Cellosonate in C vergelijkt met de vroege Vioolsonate in D.
Naar verluidt hebben Beethoven en de een generatie jongere Franz Schubert, in alle opzichten een geboren en getogen Wener, nauwelijks contact met elkaar gehad. Maar in 1822 verschenen Schuberts Variaties voor piano vierhandig die aan Beethoven zijn opgedragen. En het drie-noten-motief waarmee Schuberts lied “Der Atlas” uit 1828 begint is een citaat uit het eerste deel van Beethovens
Pianosonate opus 111 uit 1822. Natuurlijk zijn er uitspraken overgeleverd waarvan wel nooit meer achterhaald zal worden of zij historisch waar zijn of onderdeel van het geromantiseerde beeld zoals dat van veel componisten uit die tijd gecreëerd is. Beethoven zou Schuberts muziek pas aan het einde van zijn leven hebben leren kennen en toen verklaard hebben: “Waarlijk, in Schubert leeft een goddelijke vonk”. Over Schubert wordt verteld dat hij na Beethovens begrafenis met vrienden naar een café ging en daar de eerste dronk zou hebben uitgebracht op “hem die wij juist begraven hebben” en de tweede op “hem die de volgende zal zijn”. Romantische zielen hebben hierin een voorspelling van zijn eigen dood willen horen. Hoe dan ook had Schubert op dat ogenblik nog maar anderhalf jaar te leven. In die tijdspanne componeerde hij onder meer zijn twee pianotrio’s in Bes en Es. Het manuscript van het
Trio in Bes is verloren gegaan en de meest betrouwbare bron is een uitgave die pas in 1836, acht jaar na Schuberts dood, verschenen is. Het Trio vormt het hoogtepunt van Schuberts kamermuziek-met-piano en is een volmaakte uitdrukking van de Weense ziel.