start leven CV (pdf) foto's
(hoge resolutie)
fotoalbum premières discografie   contact
 


Leven


Frans van Ruth werd geboren op 27 april 1951, om 8.30 uur (volgens hem eigenlijk nog steeds een perfecte tijd om op te staan). Hij kreeg zijn eerste pianoles op 2 april 1958 en zijn eerste “echte” pianojuf na een half jaar. Vanaf een gegeven ogenblik gaf zij hem dertien sonates van Haydn na elkaar op: hij vindt Haydn nog steeds een absoluut genie.

1963: Frans wordt leerling van Hans Osieck en speelt Beethoven, Schumann, Poulenc, later ook Fauré,  Franck en Webern. Eerste uitvoering van Osiecks Sonatine no.2 (1965) en uitvoering van diens Pianoconcert met Het Brabants Orkest onder leiding van Hein Jordans (in 1970).
 
Gedachte: alle muziekstudenten zouden voortdurend in contact moeten staan met componisten of compositiestudenten.

1970: Frans wordt letterenstudent aan de Universiteit van Utrecht. In 1975 behaalt hij het doctoraalexamen met een scriptie over de poëzie van Gérard de Nerval. Daarna is hij twee jaar faculteitsassistent aan dezelfde universiteit. Daarna drie jaar student aan de Universiteit van Parijs-I: thesis over de poëzie van Herman Gorter.

Met Hans Osieck na de uitvoering van Osiecks Pianoconcert 
(Eindhoven, 1970)

 

Vanaf 1981: pianostudies bij Herman Uhlhorn aan het Utrechts Conservatorium, kamermuziek bij Eli Goren.
Mijn eerste eigen studentenconcert was geheel gewijd aan Daniël Ruyneman. Ik studeerde ook alle 24 Préludes van Debussy. Met fluitiste Josine Buter speelde ik de Sonate van Leo Smit en die van Rudolf Escher, zodra die verschenen was. Als begeleider van masterclasses van Andràs Adorjàn raakte ik ingewijd in het repertoire voor fluit en piano.

In diezelfde tijd ontdekte ik de Tsjechische muziek via die prachtig uitgegeven grammofoonplaten van Musica Bohemica Antiqua: Jan Ladislav Dusík, Václav Jan Tomásek en Jan Václav Hugo Vořisek. Radio-debuut met Dusiks Sonate in f.
Tsjechische muziek is één van mijn grote liefdes: niet alleen Bedřich Smetana en Antonín Dvořák, maar ook Josef Suk en natuurlijk Leoš Janáček. Verder Bohuslav Martinů en zijn tijdgenoten.En in een veel verder verleden een genie als Jan Dismas Zelenka (enz. enz).

Overpeinzing: kan het toeval zijn dat, als je in Praag langs de Moldau loopt, de kades vernoemd zijn naar Smetana en Dvořák, en dat in Brno de Janáček Academie ligt recht tegenover de Masaryk Universiteit, genoemd naar de eerste president van de democratische Tsjecho-Slovaakse republiek?

Andere grote ontdekkingen uit die tijd en voor het leven waren Albert Roussel en André Jolivet.
In 1987, bij gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Roussels dood voerde ik met de zangers Anja van Wijk en Ruud van der Meer en violist Theo Olof een programma uit waarin muziek van Roussel werd gecombineerd met werken van Fauré en Debussy. Later nam ik drie werken voor piano solo van hem op voor BBC Birmingham.
Op het conservatorium heb ik heel wat keren Jolivets Chant de Linos met fluit gespeeld. En in het seizoen 1986-87 met fluitiste Esther Strumphler een heel Jolivet programma: al zijn stukken voor fluit en piano, de Incantations voor fluit en de Danses rituelles voor piano: overal waar men ons maar wilde horen, zelfs als men ons niet kon betalen.

André Jolivet vóór het door C.H. Martin vervaardigde 
portret van Albert Roussel dat hij in zijn bezit had.

 

In 1981 ontmoette ik Willem Noske. Met hem heb ik honderden uren doorgebracht met het doorspelen van Nederlandse muziek uit de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw. Aangezien Nederland niet erg geïnteresseerd is in zijn culturele erfgoed, voelde het aan als een ontdekkingsreis. In de Haagsche Kunstkring aan de Dennenweg hebben we heel wat “ontdekkingen” (Gerrit Jan van Eijken, Leander Schlegel, Dirk Schäfer, Anna Cramer, Bernard van Dieren, Ignace Liliën) op het publiek losgelaten.

Bekentenis: al die jaren heeft Willem gedacht dat de op één na laatste trein van Den Haag naar Utrecht de allerlaatste was. Dat was voor mij de enige manier om die allerlaatste te halen.

Tijdens deze concerten had ik het voorrecht een aantal malen op te treden met Bernard Kruysen.

 Anekdote: tijdens onze allereerste repetitie verlaat Bernard na een paar minuten mopperend de kamer.
Even later komt hij terug, legt een pistool op de vleugel (ik weet niet of het geladen was), zegt tegen me dat het niet voor mij bedoeld is, vraagt me om het lied opnieuw te beginnen en is plotseling de grote kunstenaar die hij was.
 


Met Willem Noske na het Nederlandse Muziek Concert van 19 juni 1984 
in de Gotische Zaal te ’s Gravenhage, toen ik de Schetsen opus 4A (1910/11) 
van Bernard van Dieren uitvoerde, “briljant” en “verbluffend goed” volgens de pers.


In september 1987 speelde ik de Fire Klaverstykker opus 22 (1934-35) en de Pianosonate opus 38 (1941) van Fartein Valen (1887-1952) tijdens het Fartein Valen Eeuwfeest Festival in Haugesund en in de woning van de componist in Valevag. (Twee jaar daarvóór had ik bij aankomst, drie dagen vóór een concert, het opus 22 cadeau gekregen, twee delen daaruit snel ingestudeerd en alsnog in het concertprogramma opgenomen.)

Persreactie: “Tijdens het concert in de “Billedgallerie” afgelopen donderdag konden we duidelijk de hechte verbondenheid voelen die Frans van Ruth met Valens muziek heeft veroverd. Zijn interpretaties van de Vier Pianostukken zijn vooral heel poëtisch en lyrisch, en ik kan heel goed die persoon in het publiek begrijpen die zei dat de muziek zo mooi gespeeld was dat hij volledig vergeten was dat de muziek atonaal was. / Het zondagmiddagconcert was niet minder onvergetelijk. … Van Ruths spel, vooral in de Gigue uit de Vier Pianostukken opus 22, werd één van Referents meest intense Valen ervaringen tot nu toe”.
 
Vóór een portret van Fartein Valen in de Billedgallerie in Haugesund, 1987.


In die tijd was ik vooral liedbegeleider, met Schumann en Poulenc als mijn lievelingscomponisten.
In december 1987 ging ik naar Stuttgart als begeleider van twee deelnemers aan de Hugo Wolf Wettbewerb. Ik werd onderscheiden met de speciale begeleidersprijs.

Anekdote: de dag voor de finale wacht ik in een hal op mijn zanger, als Frau Elisabeth Schwarzkopf de lift uitkomt. Ze moet eigenlijk de andere kant uit, maar als ze me ziet maakt ze een kleine détour, stopt vlak vóór me, kijkt me recht in de ogen en zegt, op een wijze die geen enkele tegenspraak duldt: “Schön, sehr schön”.


Op 2 september 1992 werd de instelling van een bijzondere leerstoel Nederlandse muziek na 1600 aan de Rijksuniversiteit van Utrecht officieel bekend gemaakt. De bijeenkomst in het Academiegebouw aan het Domplein werd geleid door Wiecher Zwanenburg, decaan van de Letterenfaculteit – en mijn vroegere hoogleraar taalkunde.
Ik voerde bij die gelegenheid de Sonate nr.1 (1935) van Rudolf Escher uit. Escher had aan de Utrechtse Universiteit van 1964 tot 1975 als wetenschappelijk hoofdmedewerker colleges over hedendaagse muziek en muziektheorie verzorgd en er daarnaast audiologisch onderzoek verricht.


In 1986 werd ik begeleider van enkele vioolklassen van het toenmalige Sweelinck Conservatorium Amsterdam. Ik werkte een aantal jaren met de “eerste Oskar Back generatie”: Herman Krebbers, Bouw Lemkes en Davina van Wely. In 2001 nodigde Herman Krebbers mij uit zijn “afscheidsmasterclass” in het Concertgebouw te begeleiden.
In 1997 kreeg ik de opdracht om een kamermuziekafdeling op poten te zetten aan het (inmiddels) Conservatorium van Amsterdam. Vanaf 1999 organiseren we ieder jaar een Week van de Hedendaagse Kamermuziek, in 2005 gelinkt aan de Gaudeamus Performers Competition. Tijdens het openingsconcert daarvan zal ik met drie studenten het net voltooide pianokwartet van Fabio Nieder uitvoeren.
Ook brachten we een nauwe samenwerking tot stand met de analyse-docenten in de zogenaamde analyse & uitvoering projecten. Ondersteunende vakken aan een conservatorium hebben alleen maar zin als je er beter van gaat muziek maken. Anderzijds leidt het analyseren van composities niet automatisch tot betere uitvoeringen. Maar als het niet ten koste gaat van intuïtie en spontaniteit, kan begrip van de weg die een componist heeft afgelegd tijdens het componeren van een stuk, musici helpen zich vrijer en duidelijker te uiten tijdens uitvoeringen. De beste uitvoeringen zijn die waarin de analyse niet meer als zodanig hoorbaar is.


In 1998 en 1999 voerde ik met Tara Bouman, Heleen Hulst en Doris Hochscheid een programma uit met drie composities van Isang Yun (1917-1995) en drie werken van Toru Takemitsu (1930-1996). De naam van het project was “Rencontre”, naar het Trio voor klarinet, cello en piano (of harp) van Isang Yun, van wie we verder Riul voor klarinet en piano en Gasa voor viool en piano uitvoerden. Van Takemitsu gingen Orion voor cello en piano, Between Tides voor viool, cello en piano, en Quatrain II voor ons alle vier.
Rencontre was natuurlijk ook de ontmoeting van twee componisten waarvan de geboortelanden vanuit Europa gezien zo dicht bij elkaar liggen maar die toch een zo onderscheiden muziekcultuur hebben.
Èn de ontmoeting tussen muziek uit het Verre Oosten en een West Europees publiek. Ik herinner me dat na een concert in Groningen iemand uit het publiek kwam vragen hoe we in een stuk als Quatrain II er in slaagden om de puls vast te houden. Dat zijn leuke vragen…

Rencontre

In januari 1996 richtten fluitiste Eleonore Pameijer en ik de Leo Smit Stichting op. Het directe gevolg van enige concerten gegeven bij gelegenheid van de 50e viering van de Bevrijding (Leo Smit werd in 1943 in het concentratiekamp Sobibor vermoord). In de herfst van 1996 startten we onze eigen concertserie met twee concerten in de Bachzaal gewijd aan de compositieklas van Sem Dresden aan het Amsterdams Conservatorium. Daarna verhuisde het Leo Smit Ensemble naar de prachtig gerestaureerde Uilenburger Synagoge, waar het met zijn maandelijkse gasten acht concerten per seizoen speelt, allemaal uitgezonden door verschillende Nederlandse omroep instanties.
Ik coördineerde de programmering tot 2004, dus gedurende acht seizoenen. We voerden de volledige kamermuziek van Leo Smit uit en muziek van zijn Nederlandse tijdgenoten zoals Jan Ingenhoven, Daniel Ruyneman, Rosy Wertheim, Hendrik Andriessen, Henriëtte Bosmans, Ignace Lilien, Jacques Beers, Robert de Roos, Rudolf Escher, Nico Richter, Lex van Delden. Van Tsjechische tijdgenoten zoals Martinů, Schulhoff (o.a. zijn Cinq études de jazz) en de “Terezin componisten”, veel Franse muziek: Satie, de groupe des Six – in het bijzonder Milhaud - , Roussel en Koechlin, Jolivet en een aantal verrassende liederen van Elsa Barraine. Composities van Duitse en Oostenrijkse componisten die in ballingschap gingen (Tochs fantastisch groteske Cellosonate, Wellesz, Krenek, Weill, Eisler) of in Duitsland bleven ondanks hun sterke anti-nazi gezindheid (Blacher, Hartmann, o.a. zijn Tweede Pianosonate). In deze periode ontdekte ik ook de grootheid van Frank Bridge. In de Uilenburger Concerten programmeerde ik zijn Cellosonate en zijn Tweede Vioolsonate.
Op 1 oktober 2000 nam Saskia Bruines, wethouder van cultuur van Amsterdam, het eerste exemplaar in ontvangst van een 4-CD box met het complete œuvre van Leo Smit. En op 5 september 2001 kreeg Ed van Thijn, voormalig burgemeester van Amsterdam, in de Kleine Zaal van het Concertgebouw het eerste exemplaar overhandigd van Leo Smits biografie, geschreven door Jurjen Vis.
We voerden ook veel hedendaagse muziek uit in een breed scala. We gaven opdrachten aan componisten van alle generaties en richtingen: geen muziek mag “entartet” verklaard worden of door een muur beperkt in zijn bewegingsvrijheid. Ook speelden we regelmatig samen met jonge getalenteerde musici.
Een bijzonder concert vond plaats op 24 maart 2003, toen we Matthijs Vermeulens Strijktrio, Vioolsonate en Tweede Cellosonate uitvoerden bij gelegenheid van de presentatie van een nieuwe uitgave van zijn kamermuziek.

Opname van het Sextet voor piano en blazers van Leo Smit in de 
Kleine Zaal van het Muziekcentrum in Eindhoven (februari 2000).

Na zo’n 200 nieuwe stukken (waaronder enige tientallen premières) in acht seizoenen is het nu minimaal één seizoen tijd om een beetje bij te komen. 

Februari 2005