Logboek

Mijn boeken 1 t/m 5 van 2020

 

John H. de Bye: Historische schetsen uit het Surinaamse jodendom (2002)

Willem Pijper: In het licht van de eeuwigheid. Een leven in brieven 1917-1947. Bezorgd, ingeleid en geannoteerd door Arthur van Dijk (ed. 2019)

Cynthia Mc Leod: De vrije negerin Elisabeth (2000)

Paul Verhaeghe: Over normaliteit en andere afwijkingen (2019)

Dirk De Wachter: De kunst van het ongelukkig zijn (2019)

 

 

Mijn laatste drie boeken van 2019

 

Hans Fallada: Kleiner Mann, was nun? (1932, Originalfassung, ed. 2016)

Olga Tokarczuk: Ur und andere Zeiten (= Prawiek i inne czasy, 1996)

Alfred Döblin: Berlin Alexanderplatz. Die Geschichte vom Franz Biberkopf (1929)

 

 

Peter Schreier 1935-2019

 

   Op eerste kerstdag overleed Peter Schreier. Het bericht vervulde me met weemoed. Toen ik me vanaf de jaren 1970 begon te verdiepen in de liedkunst heb ik, zeker voor wat het Duitse liedrepertoire betreft, naar niemand zo veel geluisterd als naar hem. In de kast ligt nog steeds een grote stapel grammofoonplaten uit die tijd.

    Ik herinner me een 'Liederabend' op een zondagmiddag in de grote zaal van het Amsterdamse Concertgebouw (tot mijn schande weet ik niet meer wie als begeleider optrad, misschien Norman Shetler?). Peter Schreier zong voor de pauze een grote Mozart-groep en erna 'Dichterliebe'. Ik zat ergens rond rij 20 en zag na pakweg twee verzen in het eerste lied hoe alle op het tekstboekje gerichte hoofden min of meer gelijktijdig omhoog gingen en iedereen vervolgens dat boekje langzaam dichtvouwde, De grote zaal metamorfoseerde in een pakkende intimiteit.

 

 

Dutch women composers

 

   concert: vorige week vrijdag bezocht ik het derde van drie concerten die masterstudente Elizaveta Agrafenina aan het Conservatorium van Amsterdam heeft gewijd aan Nederlandse vrouwelijke componisten (componistes dus).

   In dit programma hoorden we werken van Rita Hijmans, Vanessa Lann en Wilma Pistorius (uitgevoerd door haar zelf), Album-composities van Christina Viola Oorebeek en Sinta Wullur, en een gesproken bijdrage van Thea Derks. Voorafgaand aan het eerste concert had Helen Metzelaer een inleiding verzorgd. Voor het tweede concert had ik die voor mijn rekening genomen, terwijl toen tevens Vanessa Lann en Elizaveta een podiuminterview opvoerden.

   Een in alle opzichten voorbeeldig researchproject.

 

 

 

 

 

Mijn boeken 51 t/m 55 van 2019

 

Helen Fry: Music and men. The life & loves of Harriet Cohen (2008, ed. 2015)

Harriet Cohen: A bundle of time. The memoirs of - (1969)

Edward Lowbury: A letter from Hampstead. A doctor remembers his patient, Bernard van Dieren  (1987)

Olga Tokarczuk: Unrast (= Bieguni, 2007)

Ferruccio Busoni: Entwurf einer neuen Ästhetik der Tonkunst (1906, ed. 1916)

 

 

Suriname

 

De grote Suriname expositie in de Nieuwe Kerk (Amsterdam)

   Het was vooral een expositie van veel indrukken. En heel kleurrijk, zoals bezoekers uit op herkenning van hun roots. Je beseft hoe weinig je eigenlijk weet van Suriname, bijvoorbeeld van hoe de multiculturele samenstelling van de bevolking tot stand gekomen is. Van de contractarbeiders toen de slavernij afgeschaft werd (waarvoor de slavenhouders overigens gecompenseerd moesten worden). Ja, eigenlijk was het een kleurrijke, best wel gezellige kennismaking met een vreemd genoeg behoorlijk onbekend land.

   Als het meest markant ervaarde ik de aanwezigheid van Maria Sibylla Merian (Frankfurt a.M. 1647 - Amsterdam 1717), die in 1699, dus nog net in de zeventiende eeuw, met haar jongste dochter naar Suriname reisde, daar het binnenland introk en werkelijk prachtige tekeningen en aquarellen van tropische insecten maakte. Dat leidde in 1705 tot haar in Amsterdam verschenen publicatie Metamorphosis insectorum Surinamensium.

 

 

 

Over Harriet Cohen

 

   Ik denk dat ik zo'n dertig jaar geleden voor het eerst de opname hoorde die Harriet Cohen (1895-1967) in 1937 met William Primrose maakte van die fantastische altvioolsonate van Sir Arnold Bax (die overigens zo ongeveer al zijn pianonoten voor haar heeft geschreven). Ik had toen meteen al het gevoel dat het volkomen overbodig was dat dat stuk nog eens door iemand anders opgenomen zou worden. Harriet Cohen haalde componisten als Byrd en Gibbons min of meer onder het stof vandaan, speelde in heel Europa het d-klein-concert van J.S. Bach (met Furtwängler, Monteux, noem maar op) en brak een heel leger lansen voor haar componerende tijdgenoten. Sir Henry Wood gaf haar de goede raad meer aan zichzelf te denken, waarmee hij bedoelde haar naamsbekendheid, maar zij riposteerde dat zij aan zichzelf dacht en de componisten speelde die zij graag wilde spelen. Ook haar Amerikaanse agent zei dat zijn werk een hele klus zou worden omdat ze erom bekend stond 'extravagant' te programmeren.  

Helen Fry schrijft in haar vooral stilistisch angstaanjagend armzalige biografie dat zij de eerste was die Sjostakovitsj buiten de Soviet-Unie speelde en zelf beroemt ze zich in haar gelukkig veel beter leesbare memoires erop Amerikaanse premières van De Falla en Turina te hebben gespeeld. Op bladzijde 237 lees ik: "In late March 1934 I went to Holland and puzzled my friendly audiences of the Hague and Amsterdam with a work of their own Willem Pijper which the Dutch pianists had neglected".

Zij was ook bevriend met Bernard van Dieren, die ik gemakshalve maar even geen Nederlandse maar een Engelse componist met de Nederlandse nationaliteit noem: "Van Dieren's music, rooted in tradition, but so far in advance of anything I had ever heard, was a music that I had been awaiting, and the shock of recognition, as I tried to play some of the piano pieces - works of extreme difficulty which I hardly succeeded in doing - was startling. I have always thought that his music equals that of Bartók and Busoni and I am absolutely convinced that this will one day be recognised" (p.75). Hiermee zou ze best wel eens op de Schetsen/Sketches uit 1910/1911 kunnen doelen, die ik in de jaren 1980/1990 meermaals gespeeld (waaronder in de Nederlandse Ambassade in Londen) en ook voor de radio opgenomen heb en die inderdaad elke keer weer minstens zes weken voorbereiding vroegen.

Inmiddels hoorde ik haar opname met het Stratton Quartet van het Pianokwintet van Sir Edward Elgar. Hij had in 1933, één jaar voor zijn dood, haar hoogstpersoonlijk voor die opname aangewezen en bij het dagelijkse beluisteren ervan bekruipt me hetzelfde gevoel dat ik nu al decennia bij die altvioolsonate van Sir Arnold Bax heb.

(eerder gepubliceerd op facebook)

 

 

 

Het arsenaal der ongeleefde dingen

 

voorstelling van Mayke Nas en Teun Hocks door NAP (Den Bosch, November Music, 7 november)

   Niemand kan het beter zeggen dan Bas van Putten in De Groene Amsterdammer: "Dit stelt niets voor. Dat niets wordt even alles, en voor heel even is elke toon de eerste; alles wat je ziet en hoort ligt absoluut en volkomen in zichzelf besloten. Als er een naam voor was, dan deze: Poésie concrète. Alles is vers in deze volstrekt onsymbolische, betoverend concrete slapstick, door het sleutelgat van de hemelpoort ontsnapt aan de bespreekbaarheid door ons soort mensen. Credo quia absurdum.Dit stelt niets voor. Dat niets wordt even alles, en voor heel even is elke toon de eerste; alles wat je ziet en hoort ligt absoluut en volkomen in zichzelf besloten. Als er een naam voor was, dan deze: Poésie concrète. Alles is vers in deze volstrekt onsymbolische, betoverend concrete slapstick, door het sleutelgat van de hemelpoort ontsnapt aan de bespreekbaarheid door ons soort mensen. Credo quia absurdum."

 

 

Mijn boeken 46 t/m 50 van 2019

 

André Gide: Notes sur Chopin (1931; éd. 2010, avant-propos de Michaël Levinas)

Thomas Piketty: Capital et idéologie (2019)

Laura Broekhuysen: Flessenpost uit Reykjavik (2019)

Annelies Verbeke: Vissen redden (2009)

Wim Daniëls: Het dorp. Een geschiedenis (2019)

 

 

 

Vroege kamermuziek van Hanns Eisler

 

concert: vroege kamermuziek van Hanns Eisler

     Op zondag 29 september ging ik naar vroege kamermuziek van Hanns Eisler, en wel naar de Duo-Sonate voor viool en cello en het Strijktrio, die Doris met Maaike Aarts en Asdis Valdimarsdottír om kwart over tien 's ochtends zou spelen in het Amsterdamse Universiteitstheater in het kader van de Eislerdagen.

   Ik was keurig iets voor tienen in de Doelenstraat en op zoek naar het Universiteitstheater zag ik aan de overkant een kartonnen bord waarop stond dat ik één pand terug moest. Toen ik er voor de deur stond, ging die vanzelf open. Aan een tafeltje zat een man, maar toen ik bij hem een toegangsbewijs wilde kopen, antwoordde hij dat hij de programma's verkocht en dat ik voor een kaartje een trap op moest om me weer bij een andere man te melden. Hij had geen wisselgeld, dus stelde ik voor hem te betalen als ik mijn kaartje gekocht had. Hij vond dat een goed idee en ik mocht het programma al vast meenemen. De man boven had alleen maar munten als wisselgeld, maar ik vond dat prima. Bovendien zei hij dat hij zelf wel even naar beneden zou lopen om mijn programma te betalen. Maar eerst zou hij mij via een sluiproute naar de zaal brengen (het concert was namelijk al bezig, ik kwam voor het tweede ensemble). Het was pikdonker en ik was dan ook verbaasd toen hij me op een gegeven ogenblik wees op een man die mij verder zou helpen. Ik zag namelijk helemaal geen man - totdat mijn ogen aan de duisternis gewend raakten. Het was erg eng allemaal en dus vroeg ik die man of ik op zijn arm mocht leunen en zo kwam ik uiteindelijk op een stoel terecht.

   Het was goed tien uur en het eerste onderdeel liep ten einde. De ceremoniemeester kondigde vervolgens, in het Duits, het strijktrio aan. Maar er kwam natuurlijk niemand, het was immers amper tien uur. De ceremoniemeester raakte nogal in verwarring, vroeg zich af waar de dames toch waren, of hij misschien een koffiepauze moest inlassen, en ook mijn in het Duits geformuleerde mededeling dat de dames ervan uit gingen dat zij pas om kwart over tien hoefden op te treden, vermocht hem niet tot rust te brengen.

   Maar uiteindelijk kwam alles toch nog goed. En wat een geweldige componist is die Eisler toch. Ook in deze vroege kamermuziek, die ik alleen van opnamen kende en nog nooit in de concertzaal had gehoord. Zoals ik me bij elke uitvoering van een symfonie van Dmitrij Sjostakovitsj afvraag waarom Eisler's Deutsche Symfonie nooit gespeeld wordt.